De leugens van het leven
Om maar met de deur in huis te vallen: soms voel ík me bedrogen door het leven. Niet sinds vandaag, maar eigenlijk al ruim veertig jaar.
Na een jeugd vol kinderachtigheid en puberstreken zou het immers rond mijn 21e dan toch eindelijk gaan gebeuren:
Ik zou volwassen worden.
Achteraf bleek dat gewoon ronduit flauwekul. Met 21 was ik nog net zo onvolwassen als de dag daarvoor. Sterker nog: ook met 30 en 40 voelde ik, eerlijk gezegd, weinig progressie.
Optimistisch ervan uitgaand dat elk leven zich een misser kan veroorloven, zette ik hoopvol in op mijn 50ste verjaardag. Dan zou ik immers eindelijk écht een wijs man worden.
Nou… zestien jaar later kan ik melden: ook dat bleek een illusie.
En alsof dat nog niet genoeg was: “met 65 met pensioen” was in de tussentijd ook al onwaar gebleken. De wanhoop groeide. Was er dan überhaupt nog iets om naar uit te zien in het leven?
Gelukkig las ik een paar weken geleden ergens:
“als je ouder wordt, word je milder”
Ik dacht: eindelijk. Hopelijk eentje die wél klopt. Ik zag het al helemaal voor me: ik als een soort oudere wijze man. Zachtmoedig. Verdraagzaam. Iemand die glimlachend in de regen staat omdat hij “berustend de druppels voelt”.
Tot ik mezelf de week erna hoorde in een gesprek, waar ik een, volgens mij, vrij keurige en licht kritische opmerking maakte. Geen scheldwoord. Geen mokerslag. Hooguit een licht tikje. Er viel een stilte. En daarna kwam die zin. Die ene zin die tegenwoordig altijd komt, in een toon die tegelijk vriendelijk én dodelijk is:
“Goh… hoe je het zegt…”
Op dat moment realiseerde ik me dat ik dus niet milder word. En tegelijk drong het besef door dat ik dat ook niet wil worden. Ik merk zelfs dat ik steeds strijdbaarder word. En dat ik “iets vind” van de trend in communiceren tegenwoordig: op een uiterst omzichtige manier, uitsluitend lief en positief, elk mogelijk conflictwoord vermijdend, vooral niet confronterend.
Het “als je niets positiefs te zeggen hebt, zeg dan niets”-model, zeg maar.
En nu zit ik in een rare spagaat.
Aan de ene kant word ik omringd door woorden die zo zacht zijn dat je er babybilletjes mee kunt poederen. Niks is meer “een fout”, het is “een leerervaring”. Niks is meer “slecht”, het is “suboptimaal”. Niemand liegt: ze “hebben een andere waarheid”. En als iemand wél overduidelijk liegt, dan “is er sprake van een mismatch in verwachtingen”.
Aan de andere kant zie ik dat met diezelfde fluwelen woorden ondertussen asociale beslissingen door onze strot worden geduwd. Dat er rücksichtslos oneerlijke grenzen worden getrokken, maar verpakt in lieve woorden. Er wordt gelogen en bedrogen, maar ondertussen moeten wij vooral lief zijn en “in verbinding blijven”.
Dat knelt bij mij. Ik ben, als jaren-zestig kind, opgevoed met het idee dat je je rug recht houdt. Dat je, als iets niet klopt, het benoemt. Helder, duidelijk en desnoods met een beetje stoom. Niet omdat je per se gelijk wil hebben, maar omdat zwijgen vaak ook instemmen is en steeds vaker ook zo wordt geïnterpreteerd. Ik vrees dat het verschil tussen “niet van je af bijten” en “als een schaap naar de slachtbank geleid worden” gevaarlijk klein wordt.
En ik merk: hoe ouder ik word, hoe minder ik zin heb om mee te doen aan het toneelstukje waarin iedereen op kousenvoeten langs de olifant in de kamer schuifelt en zegt: “Wat een mooi grijs tapijt hebben jullie!”
Vroeger was ik onvolwassen, dat gaf nog een soort excuus. Nu ben ik bijna 66, en dan heet het ineens vaak “lastig”. (Heel soms heet het “intens”. Gelukkig maar. Dat betekent immers krachtig of diepgaand.)
“Als je ouder wordt, word je milder.”
Wanneer dan? Is er een memo dat ik gemist heb? Moet ik gaan kijken of er medicatie mogelijk is?
Ik heb gewoon minder geduld met onzin, met machtsspelletjes, met mensen die “transparantie” zeggen en “rookgordijn” doen.
Wat vroeger “Dit slaat gewoon nergens op!” mocht zijn, moet nu zijn: “Ik merk dat ik hier wat frictie op ervaar.” En dat is dus mijn probleem: ik ervaar helemaal geen frictie.
Ik bén frictie. Ik bén schuurpapier met een hartslag.
Dat schuurt met de intentie dingen glad te strijken. Ik zal altijd een jaren-zestig kind blijven. Met een ingebouwde allergie voor braafheid en een reflex om mijn hand op te steken als iets rammelt.
Maar gelukkig ben ik wél milder geworden in motief.
Vroeger trok ik fel van leer omdat ik wilde winnen. Nu trek ik fel van leer omdat ik wil dat het klopt. Dat lijkt een subtiel verschil, maar het verandert alles. Het eerste is ego. Het tweede is zorg. Het eerste wil applaus. Het tweede wil effect.
En nog iets: ik ben milder geworden voor mezelf.
Nu denk ik vaker: ach man, je bent ook maar een mens. Een mens met een mening en soms een iets te snelle tong. En die tong heeft me ook veel gebracht. Hij is alleen niet altijd even “strategisch”.
Misschien is dit hoe de belofte wél uitkomt. Niet dat ik minder strijdlustig word, maar dat mijn strijdlust menselijker wordt.
Minder om te prikken, meer om te beschermen. Minder om te scoren, meer om te zorgen dat we niet allemaal in stilte over onze eigen grenzen laten wandelen.